De utrechtse wijken: Zuidwest
Voordat de Dichterswijk, Rivierenwijk en Kanaleneiland werden gebouwd, was het gebied ten zuidwesten van Utrecht vooral in gebruik voor landbouw. In de middeleeuwen hadden ontginners de woeste gronden geschikt gemaakt voor veeteelt en omdat door de Oude Rijn veel klei was afgezet, konden zich er ook steenbakkerijen vestigen. Het graven van de Vaartse Rijn was een belangrijke economische stimulans, omdat nu de grondstoffen en producten gemakkelijk aan- en afgevoerd konden worden. In de 17de eeuw verwachtten enkele Utrechtse regenten een grote uitbreiding van de stad en werden er nieuwe grachten gegraven, die dezelfde allure moesten krijgen als de Amsterdamse Herengracht. Dat visioen werd niet bewaarheid. De grachten werden toen door tuinders gebruikt, vandaar de naam moesgrachten. Later kwamen er fabrieken en kazernes te liggen. De Croeselaan werd toen een drukke weg, zeker toen ook de veemarkt en de groente veiling zich er vestigden. De buurtbewoners wisten wel raad met de doorgedraaide groenten: die waren te goed om als veevoer dienst te doen en konden onopvallend over de muur gewipt worden om 's avonds netjes klaargemaakt opgediend te worden. Vanaf de jaren '20 werd de Dichterswijk gebouwd, plus een deel van de Rivierenwijk. De grote uitbreiding kon pas beginnen toen in 1954 de gemeentegrens werd verlegd en grote delen van Ouderijn en Jutfaas bij Utrecht kwamen. Het toen hypermoderne Kanaleneiland verrees tussen het Merwedekanaal en het geopende Amsterdam-Rijnkanaal. We gaan natuurlijk niet alleen in op de huizen, scholen, kerken en andere bijzondere gebouwen in Zuidwest, maar beschrijven ook hoe het was om er te leven en te werken.






