Van Angstel tot Kromme Mijdrecht
In dit tiende deel van de Utrechtse Biografieën richten we ons op het noordwesten van de provincie. Deze wildernis van water en veen werd door de Duitse keizer in 1085 aan bisschop Koenraad geschonken, die het ter ontginning doorverkocht. Koenraad is de oudst beschrevene in deze bundel. In de 19e eeuw werden de door turfwinning ontstane plassen drooggemalen. Een van de pioniers in de polder was Dirk van Egmond, die wel 'de beste boer in Utrecht' werd genoemd. Arm en rijk, hoog en laag komen broederlijk (en zusterlijk) naast elkaar voor: van de straatarme boerenknecht Gijsbert van Bevervoort, die de gemeente in het holst van de winter de deur wees, tot de patriciër Theodorus de Leeuw, die beide heerlijkheden van Abcoude bezat. U ontmoet Jacob van Gaasbeek, die Abcoude in een 14e-eeuwse burgeroorlog betrok, de journalist Jan Trouw, de beroemde cellist Tibor de Machula en Joannes Roeleveld, die nationaal bekendheid kreeg vanwege zijn in afwachting van het einde der tijden aangelegde verzameling van opgezette dieren. Dit is maar een kleine greep uit de bijna 40 opgenomen levensbeschrijvingen, die samen een blik gunnen in het wel en wee van de mensen, die deze streek mee hebben gevormd.






